Bijdrage Prof. Dr. Joep Dubbink

Karel Deurloo als exegeet

Bijdrage studiemiddag t.g.v. zijn 80e verjaardag, 25 januari 2016

‘Vertel in 20 min. iets over Karel Deurloo’s betekenis voor de uitleg van het Oude Testament’. Mooie opdracht! En dan niet over de bijbelse theologie, want dat gaat Rinse Reeling Brouwer doen (we moesten toch wat, als verdeling), en ook niet over Karel Deurloo als persoon, want dat gaan we straks vieren met hem erbij. Maar kun je dat allemaal wel losmaken van elkaar? Dat lijkt me strijdig met het bijbelse mensbeeld, waarin een mens nu eenmaal niet in stukje op te delen valt maar een eenheid is.

Daarom begin ik toch bij Karel zelf, want het is een mens, een nefesj chajja, die vandaag de leeftijd van de zeer sterken bereikt. Als ik aan Karel denk, is het eerste wat bij mij opkomt zijn stijl van doceren. Ik prijs mij gelukkig dat ik niet alleen in overdrachtelijk zin een leerling van hem ben, zoals je dat van Barth, Miskotte of Brueggemann bent, maar letterlijk. In het doceren was Karel in zijn element. Zijn bevlogenheid maakte hele generaties studenten enthousiast voor de Hebreeuwse bijbel. Ze gingen niet allemaal bij hem afstuderen en dat was maar goed ook, maar er waren perioden dat aan de UvA-faculteit theologie de eerste vraag bij het samenstellen van je doctoraalprogramma was: doe je OT als hoofd- of als bijvak? Hij was niet alleen een goed docent, ook een betrouwbaar scriptiebegeleider en een nog veel voortreffelijker Doktorvater: hij verstond de kunst om je in een gesprek van anderhalf uur huiswerk voor een half jaar mee te geven, en óók nieuw enthousiasme voor dat vak. Maar bij Karel hoort ook zijn liefde voor poëzie, voor literatuur, voor muziek, voor theater, en – om maar iets te noemen – zijn grote kennis van de Praagse binnenstad, in het bijzonder de cafés waar het beste donkere bier geschonken wordt.

Nu ga ik dáár niet op door, want mijn taak is om hier vakmatig iets te zeggen over Karel’s betekenis, en het zou een misvatting zijn te denken dat het daarbij vooral gaat om zijn uitstraling en zijn welbespraaktheid. Daarmee krijg je studenten wel even geïnteresseerd, maar als dat een maniertje geweest was, dan houd je daarmee niet 25 jaar lang steeds nieuwe generaties jonge mensen geboeid.

Vakmanschap

Wat is nu het typerende van Karel’s benadering? Allereerst: doodnormaal vakmanschap. Weten wat je moet weten, de talen en de methoden beheersen, het handwerk doen. Daar is geen omweg voor. De huidige studie theologie moeten we met alle kracht bij haar wortels zien te houden: zonder de basis van het Hebreeuws (en Aramees, en Grieks) en het ambachtelijke van het vak wordt het niks, dan kun je nog wel even teren op wat vorige generaties aan theologie opleverden, maar dan valt de bodem eruit.

Karel schreef tijdens het eerste college vaak die grote Beth op het bord, van beresjiet, die maar naar één kant open is, de kant van de tekst; met die midrasj erbij dat je zo moet lezen, zonder je al te zeer te bekommeren om hoog- of laagvliegende gedachten, of terug te blikken naar mogelijke voorfasen van de tekst. Dat is een mooi adagium, maar Karel maakte dat ook echt waar. Je begon met vertalen, in korte zinseenheden – dat is nog steeds een vondst, zo simpel en zo verhelderend, de tekst uitschrijven. Er is tegenwoordig best wat kritisch te zeggen over de manier waarop we dat toen deden, wellicht wat al te intuïtief, niet helemaal geformaliseerd: zijn het nu ademeenheden à la Buber & Rosenzweig, of moet eerder de syntax beslissen, of mag de literaire analyse ook meedoen? Het kan allemaal nog verfijnder, met nieuwe ‘tools’, en daar stond Karel ook voor open. Ik herinner me nog dat hij begin 80-er jaren ene drs. Talstra uitnodigde, van de VU nota bene, die op college binnenkwam met een stapel kettingpapier met onleesbare abracadabra – geen instrument wordt bij voorbaat afgeschreven, en we weten nu hoe terecht dat is.

Dan gebruikte je de grammatica’s en woordenboeken, maar altijd kritisch: kloppen die onderverdelingen wel? Berech is natuurlijk niet 1. zegenen 2. loven/prijzen, het is één begrip dat wij in het Nederlands alleen moeilijk met één woord kunnen dekken maar dat is ons probleem – ik kwam ooit eens een emeritus hoogleraar klassieke talen tegen, die dat aspect van zijn vak niet begrepen had… Zo werd vooral de concordantie het beste woordenboek: teksten moeten elkaar uitleggen.

Je werd attent gemaakt op macrosyntactische signalen, de revolutionaire grammatica van Schneider kwam erbij die wezenlijk anders keek naar de tijden en de zinssoorten, en zo kwam er een begin van structuur. Dan de vertalingen, de oudste het eerst: de versiones, waarmee je meteen een begin van diachronie had. Dat is nooit taboe geweest, diachroon onderzoek, zeker niet in de latere jaren toen de strijd om het goed recht van een synchrone, ‘holistische’ aanpak een beetje over was. In Karel’s beginjaren was dat een van de hete hangijzers, hoe je je teweerstelde tegen de alom heersende bronnensplitsing. Zeker als je Genesis als een van de belangrijkste aandachtsgebieden hebt, loop je daar voluit tegenop. Het was een tijd lang vechten tegen de bierkaai, en ineens, ergens eind vorige eeuw, was het over en ging iedereen aan rhetorical analysis doen, of analyse stucturelle. Dat was mooi, maar ik vrees dat de voorlopersfunctie van ‘Amsterdam’ – van Karel maar ook al van Beek, en zeker ook van Juda Palache een halve eeuw eerder – daarbij te weinig erkend is.

Commentaren gingen pas heel laat In het proces open: natuurlijk moet je je eigen bevindingen checken tegen de opvattingen van andere vakgeleerden, maar niet je eigen creativiteit van tevoren laten dichtslaan door een veelheid aan andere meningen. Exegese was voor hem ook ‘canoniek’, al voor dat woord door Brevard Childs gemunt werd: vasthouden aan de Masoretische Tekst want die heeft geschiedenis gemaakt in de synagoge en via Hiëronymus ook in de kerk. De tekst vasthouden tot het echt niet anders ging, maar ook weer niet dogmatisch: een in Qumran ontdekte oudere en betere lezing, maar ook een gewaagde originele conjectuur, dat moest kunnen.

Die aanpak, beginnen bij de tekst, klassieke en moderne middelen gebruiken, en dan opklimmen naar grotere tekstverbanden en structuren en theorieën, van het bijzondere naar het algemene, dat is nog steeds de enige juiste manier, naar mijn sterke besef.

Dat Karel in de laatste vijf jaar van zijn professoraat overstapte naar de speciaal voor hem ingerichte leerstoel Bijbelse Theologie, daarover zal Rinse meer vertellen. Ik bekijk het nu even van de andere kant, vanuit de exegese: dat hij pas na 20 jaar exegetisch werk die overstap volledig maakte! Dat bijbels-theologische werk is belangrijk maar het rust op het exegetische. Lees bijvoorbeeld zijn tientallen artikelen in de Amsterdamse Cahiers, waarvan hij in de eerste twintig jaar bijna geen nummer heeft overgeslagen met publiceren. Ik heb die artikelen nog eens doorgebladerd, en met stijgende bewondering. Karel doet daar voor een breed publiek voor hoe het grondwerk dient te geschieden, zonder al te technisch te worden. Hij vertaalt een tekst, legt nadruk op relevante bijzonderheden zonder zich te verliezen in wezenloze details, legt verbanden met andere teksten, discussieert met belangrijke andere stemmen – altijd opvallend hoffelijk, alléén waar het een bepaalde manier van niet goed vertalen van de grondwoorden betrof, daar zat zijn achilleshiel, daar verweerde hij zich buitengewoon venijnig en soms over the top – maar dan gaat het ook wel ergens over!

Nergens in die artikelen wordt de bijbelse theologie vergeten, maar nergens wordt die een stramien dat heerst over de tekst. In die artikelen blijft hij exegeet, laat de tekst spreken. Twee voorbeelden, beide uit Genesis.

Genesis 32

Karel’s zeer korte artikel over Genesis 32,1 over Jakobs nachtelijke worsteling bij de Jabbok heeft een paar wendingen die werkelijk de moeite waard zijn. Hij begint met een schijnbaar algemene opmerking vooraf over anonimiteit en het belang van namen. Dan vervolgt hij met het citeren van Van Selms, die zich erover beklaagt dat de exegeet hier danig tekort komt, en de predikers er ál te snel met de tekst vandoor gaan – daar is het ook wel een tekst naar, dit verhaal wil men natuurlijk graag op psychologisch of existentieel niveau tillen. Karel stemt in met de kritiek daarop: het is ergerlijk wanneer predikers de tekst inpassen in hun eigen dogmatische schema’s. Hij deelt de ironie waarmee Van Selms sommige van die ‘creatieve’ dogmatiserende en psychologiserende predikers de revue laat passeren.

Maar dan keert hij de zaak om. Want wat Van Selms doet is precies omgekeerd maar even schadelijk: die blijft staan bij de achtergrond van de tekst. Dit verhaal is volgens velen ontstaan uit een Kanaänitische mythe over een rivierdemon, die ’s nacht mensen belaagt. Zo’n duistere demon die het daglicht niet kan verdragen, vandaar zijn haast om weg te komen als de dageraad aanbreekt. Karel geeft onmiddellijk toe dat dat motief wel gebruikt zal zijn, maar als Van Selms vervolgens in zijn uitleg blijft staan bij dat gegeven – de bedoeling van het verhaal is volgens hem, de lezers ervan te overtuigen dat je niet bang hoeft te zijn voor zulke demonen … – dan treft Van Selms diezelfde ironie die hij zelf gebruikte, en dan stelt Karel de goede vragen die hij in zijn inleiding heeft voorbereid: hoe zit het met de namen? Kan het werkelijk zonder betekenis zijn dat juist in dit verhaal voor het eerst de naam Israël klinkt!? Is de vraag naar de Naam, die naam die Jakobs tegenstander hem weigert te vertellen, terwijl hij hem op zijn beurt wel van die nieuwe naam Israël voorziet, niet veel belangrijker dan historisch-kritische exegeten waar willen hebben? Is met die verwijzing naar een rivierdemon deze geheimzinnige figuur werkelijk uitputtend beschreven, of is dit nu typisch een voorbeeld van historische-kritische exegese die een klepel heeft zien hangen maar de klok niet hoort luiden…? Draagt deze figuur niet nog een veel groter geheim in zich? Moet je dit verhaal dus niet eerst en vooral uitleggen in de huidige samenhang waarin het staat, in het boek Genesis, in de Jakobsverhalen? En komt er dan niet een veel rijkere uitleg boven dan de beperkte boodschap van Van Selms? Draait het niet om ‘De Naam en de namen’ – de titel van het artikeltje? Dus behalve dat hij een methodisch debatje voert met Van Selms en andere historisch-kritische exegeten, maakt hij ook een theologisch punt, misschien wel hét punt: hoe de Eeuwige, HaSjem, de Naam, aanwezig is, als Degene die een Naam heeft die ellusive is (met een woord uit de titel van Samuel Terriën’s The Elllusive Presence, een geliefd boek van Karel): aanwezig, maar on-grijp-baar, niet te vatten op zo’n manier dat je er greep op krijgt. Je ziet, er zit zo een preek in – Karel had gelijk toen hij mij na mijn kandidaatstentamen Exegese meegaf: ‘Hou je Hebreeuws bij, dan heb je nooit gebrek aan preekstof.’2

Genesis 22

Veel breder pakt Karel uit in een artikel over Genesis 22, de ‘binding van Izaäk – al zal Karel niet die joodse benaming van het verhaal kiezen, die beter past bij de midrasjim rond dit verhaal dan bij de Masoretische tekst waarin Izaäk geen echte rol krijgt. In dit artikel van 20 pagina’s3 zit voor mij alles wat Karel exegetisch en theologisch kan. Hij benoemt de fronten: de bronnensplitsing is eigenlijk nauwelijks nog een waardige tegenstander, zo duidelijk is de bewuste afwisseling van de godsnamen in het verhaal, met de naam JHWH vanaf de wending in vers 11. Maar wel is een front de Formgeschichte, die dit unieke verhaal koste wat het kost in een Gattung wil persen, een genre. Dat lukt niet, en dat gebruikt Karel om de fundamentele opzet van de hooggeachte Biblische Kommentar van kritiek te voorzien: Form-Ort-Wort, dan komt dus pas in derde instantie de tekst zelf aan bod!

Deze inleidende schermutselingen bereiden de lezer voor op een uiterst geconcentreerde lezing van het verhaal, niet psychologiserend (‘hoe erg moet dat toch wel voor Abraham geweest zijn’) maar wel intens de narratief volgend, zich bewust van het gewicht van dit verhaal, ook voor de huidige lezer. De spanning hoef je er niet in te leggen, die zit in het verhaal zelf, Abraham die ‘er wil zijn’ (hinneni – hier ben ik), voor God, vs. 1, en voor zijn zoon, vs. 7 – en lukt dat? Tenslotte lukt dat pas weer na de komst van de engel, als dat ‘hinneni’ nog een derde keer klinkt (vs. 11). Hij benoemt de structuren binnen het verhaal, het ‘zien’ van de berg en later de ram als buitenste omlijsting en het ‘zo gingen die twee tezamen’ om de dialoog van Izaäk en Abraham heen als binnenste omlijsting om vs. 6-8, het ‘heilige der heiligen’ van het verhaal. Hij laat de correspondentie zien tussen het jachid, enige (zoon) en het jachdav (tezamen); en eveneens het woordspel tussen het elohim jiré, God zal zien, en het jeré-elohim, god-vrezend.

Hij leest het verhaal binnen de Abrahamcyclus, als slot van het tweede deel, dat over de zoon gaat (Gen. 15-22). Hij laat alle intertekstualiteit klinken, alle verwijzingen, om tenslotte uit te komen bij een uitleg die het algemeen-menselijke overstijgt: ‘Het dreigende verlies van een enig kind is een algemeen menselijk en navoelbaar leed. De verteller vermijdt consciëntieus daarvan ook maar iets voelbaar te maken. Het gaat hem om een zaak van veel groter dimensie: zal de stem Gods gehoord worden, zodat er onder de volkeren der aarde één in het midden zal staan in wie allen gezegend worden?’ (ACEBT 5, blz. 54). Dat klinkt bekend; maar nogmaals, dat wordt dus niet vanuit de bijbelse theologie algemeen over het verhaal gelegd, maar van onderop, uit de exegese, blootgelegd.

Deze voorbeelden zouden met vele aan te vullen zijn. Het mooie is, dat hij daarbij richtingvastheid en flexibiliteit combineert. Enerzijds is het allemaal een uitwerking van het eerste hoofdstuk van zijn dissertatie over Kaïn en Abel, dat met die karakteristieke zin begint: ‘Israël vertelt geschiedenis’ –waarbij ‘vertelt’ cursief staat. Anderzijds is hij nooit monomaan geweest. Zelfs in het bijbelvertalen is hij veranderd, soepeler geworden, dat kun je zien als je de bewerkingen bekijkt die hij zelf (voor de website van de Monshouwerstichting) maakte van delen van de Genesis-vertaling van de SHA: net iets minder extreem idiolect-om-het-idiolecte. Maar ook in zijn exegetische werk verschoven de fronten. Tegelijk bleven de grote lijnen.

Oogst

Wat is nu de oogst? Waarschijnlijk allereerst wij allen, voor een groot deel leerlingen van hem: zijn vele studenten en promoti. Er is wel als kritiek op hem geuit, dat hij te weinig ‘klassiek wetenschappelijk’ heeft geschreven, via de gerenommeerde tijdschriften met de vele voetnoten. Dat is misschien zo, het was ook deels een bewuste keuze om naar de hoorders en lezers van de teksten toe iets te willen betekenen: de bijbelse teksten zijn geen rudimenten, horen niet in het museum, maar zijn teksten die nog iets te zeggen hebben en die nog steeds leven, in lees- en geloofsgemeenschappen.

Invloed in het buitenland? Behoorlijk wat Nachwuchs in Duitsland en tot in Tsjechië en Hongarije, maar minder dan hij verdiende. Niet omdat hij dat niet wilde, denk aan initiatieven als Voices from Amsterdam, maar ook omdat Nederland toch een klein land is met veel buitenland; er zijn overzichten waarin wel de overgang wordt beschreven van een literair-historische naar een retorische analyse4 maar Amsterdam, waar men daarin voorop liep, niet één keer genoemd werd.

Rode draad

Bij dat alles zoek je een rode draad in zijn theologie. Is dat Exodus en Exil, de twee brandpunten in het oude testament, de twee grote crises in het verhaal van Israël, deels parallel en toch ook weer verschillend? Of is het die zin die ik citeerde, of ‘de stem Gods gehoord [zal] worden, zodat er onder de volkeren der aarde één in het midden zal staan in wie allen gezegend worden?’ Het blijft lastig, Karel vast te prikken op één kernpunt, en dat is juist omdat de tekst het altijd mag zeggen! De exegeet is de advocaat van de tekst, komt op voor het belang van de tekst tegen alle mogelijke fronten, vanuit het besef dat die tekst iets te melden heeft. Dat heeft hij ambachtelijk en bij vlagen virtuoos gedaan.

Toen ik in 1997 promoveerde mocht dat nog net met stellingen, en die kans liet ik me niet ontgaan. Stelling 8 luidde: ‘Van een goede leraar leert men op twee niveaus, dat van de leerstof en dat van het leerproces; het tweede – te leren hoe kennis wordt verkregen en overgedragen – is daarbij belangrijker dan het eerste.’ Die stelling is niet alleen op Karel van toepassing maar toch wel allereerst door hem geïnspireerd. Dat blijft mij bij: die stukgelezen Hebreeuwse bijbel, die pijp vroeger, die oplichtende ogen, die je overbrachten dat er ook voor hem nog iets te ontdekken viel! Hoeveel te meer dan voor ons.

* * *

© 2019: Karel Deurloo | Travel Theme by: D5 Creation | Powered by: WordPress